De term
melanocytoma is voorgesteld door de WHO (World
Health Organization) in de
WHO classificatie van tumoren
uit 2018 voor
melanocytaire laesies die op histologische
gronden maar vooral ook op basis van genetische kenmerken moeten worden ingedeeld
ergens tussen een benigne melanocytaire naevus en een melanoom. Deze nieuwe
terminologie, en de impact er van is nog niet overal doorgedrongen op de werkvloer.
Vroeger was er een zwart-wit besluit van de patholoog tussen goedaardig en kwaadaardig.
De laatste jaren wordt door nieuwe technieken waarbij mutaties kunnen worden
vastgesteld in het ingezonden materiaal duidelijk dat het vaak een continuüm
is. Dit leidt tot minder duidelijke PA-uitslagen zoals ‘een melanocytaire proliferatie
met atypische kenmerken’. Waarbij dan vervolgens de dermatoloog moet besluiten
of het als een melanoom moet worden behandeld. Dezelfde onduidelijkheid speelt
bij de uitslag 'plaveiselcellige proliferatie'. De term melanocytoma is niet
opgenomen in de ICD10 classificatie en nog niet in de SNOMED classificatie,
maar wel al in de ICD11 classificatie (beta versie).
Spitz melanocytoma
Een voorbeeld is de
Spitz naevus. Een
Spitz naevus wordt gekenmerkt door een
proliferatie van spoelvormige cellen en moet worden onderscheiden van een
Spitz melanoom. Vroeger was er een beroemde en beruchte
dermatopatholoog A.B. Ackerman, die stellig beweerde dat het
of
een naevus was
of een melanoom, en niets daar tussenin.
En dat het verschil te maken was op basis van een lange lijst met histologische
criteria. Maar soms ging dat fout en bleek een laesie die was beoordeeld als
Spitz naevus toch te metastaseren naar de lymfklieren. Waarop Ackerman stelde
dat er niet iets mis was met zijn lijst van histologische criteria maar wel met
het brein van de beoordelende patholoog.
Spitz tumoren bevatten typische
DNA-fouten, meestal tyrosine en serine/threonine kinase fusies, waaronder ALK,
ROS1, NTRK1, NTRK2, NTRK3, BRAF, of mutaties zoals HRAS en MAP3K8. Deze chromosomale
afwijkingen bepalen het morfologisch beeld. De meeste Spitz tumoren hebben geen
andere mutaties en gedragen zich benigne. Sommige hebben enkele extra mutaties
en sommige hebben er vele, waaronder CDKN2A deletie en TERT-p mutatie, en gedragen
zich maligne. Het is dus een
continuüm, waarbij het aantal en de aard van de
bijkomende mutaties bepalen of een tumor zich maligne gedraagt. Voor de tussenvorm
wordt de naam
Spitz melanocytoma voorgesteld (
Spitz
nevus - Spitz melanocytoma - Spitz melanoma). Er waren echter
ook al andere termen in gebruik zoals
STUMP (
Spitzoid
Tumor of Unknown Malignant Potential) en
atypical
Spitz tumor (
atypische Spitz naevus). De WHO hanteert het begrip
pathway
voor dit continuüm en onderscheidt 9 verschillende pathways waardoor verschillende
subtypes melanomen zich kunnen ontwikkelen. De Spitz pathway is nr 4. Malignant
Spitz tumor (Spitz melanoma).
![Atypische Spitz nevus (click on photo to enlarge) [source: www.huidziekten.nl] Atypische Spitz naevus](../../../images/atypical-Spitz-naevus-1z.jpg) |
![Atypische Spitz nevus (click on photo to enlarge) [source: www.huidziekten.nl] Atypische Spitz naevus](../../../images/atypical-Spitz-naevus-2z.jpg) |
|
atypische Spitz
naevus |
atypische Spitz
naevus |
WHO classificatie melanocytaire
maligne tumoren (pathways):
| Relationship with sun exposure/sun damage: |
Nr: |
Subtype: |
Genetic hallmarks of this pathway: |
Melanomas arising in sunexposed skin
CSD:
Cumulative Sun Damage |
1 |
Low-CSD melanoma/superficial spreading melanoma |
High frequency of BRAF p.V600 mutations |
| 2 |
High-CSD melanoma (including lentigo maligna melanoma and high-CSD
nodular melanoma) |
Predominating mutually exclusive NF1, NRAS, other BRAF (non-p.V600E),
and perhaps KIT mutations |
| 3 |
Desmoplastic melanoma |
Recurrent inactivating NF1 mutations, NFKBIE promoter mutations,
and several different activating mutations in the MAPK pathway (e.g.:
MAP2K1) |
| Melanomas arising at sunshielded sites or without
known etiological associations with UV radiation exposure |
4 |
Malignant Spitz tumor (Spitz melanoma) |
Mutations in HRAS and kinase fusions in ROS1, NTRK1, NTRK3,
ALK, BRAF, MET, and RET; CDKN2A homozygous deletion, TERT promoter
mutations and MAP3K8 fusions/truncating mutations only in aggressive
or lethal variants |
| 5 |
Acral melanoma (including nodular melanoma in acral skin) |
Multiple amplifications of CCND1, KIT, and TERT; mutations of
BRAF, NRAS, and KIT; kinase fusions of ALK or RET in a few cases |
| 6 |
Mucosal melanoma |
Numerous copy number and structural variations; uncommonly,
KIT and NRAS mutations |
| 7 |
Melanoma arising in congenital nevus |
In large to giant congenital nevi: NRAS mutation; in small to
medium-sized congenital nevi, BRAF mutations |
| 8 |
Melanoma arising in blue nevus |
Initiating mutations in the Gaq signalling pathway (GNAQ, GNA11,
CYSLTR2, PLCB4); monosomy 3 (associated with loss of BAP1) and chromosome
8q gains in aggressive cases; additional secondary copy number aberrations
in SF3B1 and EIF1AX |
| 9 |
Uveal melanoma |
Mutually exclusive mutations in the Gaq pathway (GNAQ, GNA11,
PLCB4, CYSLTR2); BAP1, SF3B1, and EIF1AX mutations during progression |
Ferrara G, Argenziano G. The WHO 2018 Classification of Cutaneous Melanocytic Neoplasms: Suggestions From Routine Practice. Front Oncol 2021;11:675296.
Melanocytoma als term voor atypische naevi en melanocytaire
proliferatiesDe term melanocytoma wordt inmiddels ook gebruikt
voor entiteiten die voorheen werden aangeduid als
MELTUMP
(
melanocytic tumor of uncertain malignant potential)
of
SAMPUS (
superficial
atypical melanocytic proliferation of uncertain significance), of
IAMP
(intraepidermal atypical melanocytic proliferation). In deze laesies is vaak
de MAPK pathway geactiveerd, maar ze bevatten vaak ook multipele andere pathogene
mutaties. In de WHO Classification of Skin Tumors wordt de term
low-grade of highgrade melanocytoma geadviseerd.
Pigmented epithelioid melanocytoma (PRKAR1A inactivated melanocytoma)
Pigmented epithelioid melanocytoma is een melanocytaire tumor opgebouwd
uit een mix van epitheloide en spoelvormige melanocyten. De laesies zijn sterk
gepigmenteerd en bevatten vele melanofagen. Tot deze entiteit wordt ook gerekend
de
epithelioide blue nevus geassocieerd met het Carney complex,
en het
animal-type melanoma. Bij het
Carney
complex is er een mutatie in de alpha 1 regulatory subunit van proteine
kinase A (PRKAR1A). In het pigmented epithelioid melanocytomas is PRKAR1A meestal
geïnactiveerd. Deze melanocytomen gedragen zich benigne. Er kunnen wel melanocytaire
cellen worden gevonden in de lymfklieren.
Deep penetrating melanocytoma
(beta-catenin activated melanocytomas)De term
deep
penetrating nevus is geïntroduceerd door Helwig et al. in 1989
voor een donkerbruin of blauwig doorschemerende naevus, sterk lijkend op een
melanoom, meestal in de hoofdhals regio of op de romp gelokaliseerd. De naevi
bestaan uit nesten van melanocyten met een gevacuoliseerd gepigmenteerd cytoplasma,
die diep doordringen in de reticulaire dermis, vaak omgeven door vele melanofagen
en een lymfocytair infiltraat. Ze kunnen lijken op een
Spitz naevus of een
blue nevus. Maar blue naevi hebben
een mutatie in de G alpha Q pathway, en de deep penetrating nevus niet. Deep
penetrating naevi hebben vaak mutaties in BRAF, MAP2K1, of HRAS die de MAPK
pathway activeren, en daarnaast ook mutaties in CTNNB1 waardoor de
beta-catenin pathway wordt geactiveerd. Vandaar de voorgestelde
naam
beta-catenin-activated melanocytoma. Een
andere naam die circuleert is
WNT-activated deep penetrating
melanocytoma. Het is een benigne naevus, die na een radicale
excisie niet recidiveert of metastaseert.
BAP1-inactivated melanocytomaBAP1-inactivated
melanocytomas zijn gepigmenteerde, roze of huidkleurige bolronde
papels, soms ontstaan in een pre-existente naevus. Histologisch bestaan ze uit
epithelioide melanocyten van variabele grootte met een glazig amphophilic aankleurend
cytoplasma (zowel eosinofiel als basofiel aankleurend) met excentrische nuclei.
Vaak zijn er meerdere mitosen, en een lymfocytair infiltraat. De laesies ontstaan
door inactivatie van de tumor suppressor BAP1, vaak in combinatie met BRAF of
NRAS mutaties. Ze kunnen voorkomen in het kader van het
BAP1-geassocieerd tumor
syndroom.
Excisiemarges bij melanocytoma
Melanocytomen zijn zeldzaam, maar wat wel regelmatig wordt gezien is
Spitz melanocytoma (
atypical Spitzoid tumor) op de kinderleeftijd. Het is moeilijk om een goed onderbouwd advies te geven over de aanbevolen excisiemarges voor dit soort laesies, er is geen consensus over.
Bij een Spitzoid melanocytoma is het soms (maar helaas niet altijd) mogelijk om op basis van histologie en melanocytaire markers en mutatie analyses het onderscheid te maken tussen
low-grade en
high-grade Spitz melanocytoma, waarbij high grade betekent meer maligne kenmerken. Bij low-grade Spitz melanocytoma is volgens de EORTC Melanoma Group (2021) een re-excisie niet nodig als de diagnostische excisie met een klinische marge van 2 mm werd uitgevoerd (de histologische marge is dan meestal 1 mm door krimp bij het verwerken). Als geen diagnostische excisie werd gedaan maar een biopt wordt een krappe re-excisie aanbevolen met een marge van 2 mm (1-3 mm). Bij high-grade Spitz melanocytoma wordt (ook voor de andere varianten van melanocytoma) een marge van 5-10 mm geadviseerd.
In een recenter artikel van de Children's Oncology Group (2025) over melanocytomen bij kinderen (<18 jaar) worden de volgende adviezen gegeven:
(1) Verricht bij klinische verdenking op een maligne melanocytaire laesie een diagnostische excisie van de gehele laesie met een marge van 2 mm (1-3 mm)
(2) Indien de PA diagnose melanoom is, behandel conform de richtlijn melanoom bij volwassenen (excisie met een marge (indien mogelijk) van 1 of 2 cm op basis van Breslow dikte, en bespreken van de optie schildwachtklier onderzoek bij stadium T1b of hoger (< 0.8 mm maar met ulceratie, of 0.8 - 1.0 mm, zonder of met ulceratie)).
(3) Probeer Spitzoïde melanocytomen (atypical Spitzoid tumors, ASTs) te classificeren in benigne (low-grade melanocytoma) of maligne (high-grade melanocytoma), gebruikmakend van immunohistochemie en next-generation sequencing (NGS).
(4) Soms is het ondanks klinisch beeld, histologisch beeld en moleculair onderzoek niet mogelijk om een atypische Spitzoïde tumor te classificeren als benigne of maligne. Stel dan de diagnose Spitz tumors of uncertain malignant potential (
STUMP) en verricht een re-excisie met 5 mm marge.
(5) Als de diagnose atypical Spitzoid tumor gesteld werd op een biopt, excideer de gehele laesie met een krappe marge van 1-3 mm. Dit geldt ook voor de andere, zeldzamere melanocytomen.
(6) Als de diagnose atypical Spitzoid tumor gesteld werd op een diagnostische excisie, en de laesie geheel is verwijderd (histologisch vrije randen), dan is re-excisie niet nodig. Dit geldt ook voor de andere, zeldzamere melanocytomen.
(7) Er is geen indicatie voor schildwachtklier onderzoek (sentinel lymph node biopsy) bij atypische Spitzoïde tumoren. Ook bij een Spitz melanoma geeft schildwachtklier onderzoek geen informatie over de prognose.
De Children's Oncology Group geeft de voorkeur aan de term atypical Spitzoid tumor boven de term Spitz melanocytoma die in de WHO classificatie wordt aanbevolen. Ook stellen zij dat er geen onderscheid te maken is tussen high-grade Spitz melanocytoma en Spitz melanoma, en adviseren om atypische Spitzoïde tumoren met hoog-risico kenmerken voor melanoom (zie tabel), of met een TERT-mutatie, of met een ander zorgelijk moleculair profiel, te classificeren als Spitz melanoma. Dat betekent dus dat in bovenstaande aanbevelingen de term atypical Spitzoid tumor gelezen moet worden als low-grade Spitz melanocytoma conform de WHO classificatie.
| Hoog-risico kenmerken voor melanoom in de pediatrische en adolescente populatie: |
- leeftijd >10 jaar - diameter van de tumor >1 cm -
ulceratie - uitbreiding tot in de subcutis - mitosen ≥
6/mm² - high-grade cytologische atypie - groeiende dermale
nodus |
Melanoom in de pediatrische (0-10 jaar) of adolescente (11-18 jaar) populatie is zeldzaam, 0.4% van de melanomen ontstaat onder de 18 jaar, en dat is vooral in de groep 11-18 jaar. Voor atypical Spitzoid tumors bij 11-18 jarigen wordt next-generation sequencing aanbevolen. Voor 0-10 jaar wordt dat aanbevolen als er veel hoog-risico kenmerken voor melanoom aanwezig zijn.
Referenties
| 1. |
Ferrara G, Argenziano G. The WHO 2018 Classification
of Cutaneous Melanocytic Neoplasms: Suggestions From Routine Practice.
Front Oncol 2021;11:675296.
PDF |
| 2. |
Yeh I. New and evolving concepts of melanocytic
nevi and melanocytomas. Mod Pathol 2020;33(Suppl 1):1-14.
PDF |
| 3. |
Bobos M. Histopathologic classification and
prognostic factors of melanoma: a 2021 update. Ital J Dermatol Venerol
2021;156(3):300-321.
PDF |
| 4. |
Elder DE, Bastian BC, Cree IA, Massi D, Scolyer
RA. The 2018 World Health Organization Classification of Cutaneous,
Mucosal, and Uveal Melanoma: Detailed Analysis of 9 Distinct Subtypes
Defined by Their Evolutionary Pathway. Arch Pathol Lab Med 2020;144(4):500-522.
PDF |
| 5. |
Yeh I, Bastian BC. Melanoma pathology: new
approaches and classification. Br J Dermatol 2021;185(2):282-293.
PDF |
| 6. |
Alomari AK, Harms PW, Andea AA, Warren SJ.
MAP2K1-mutated melanocytic tumors have reproducible histopathologic
features and share similarities with melanocytic tumors with BRAF
V600E mutations. J Cutan Pathol 2023;50(12):1083-1093.
PDF |
| 7. |
Linos K. One step at a time: Melanocytic
differentiation in fusion-driven cutaneous neoplasms. J Cutan Pathol
2023;50(12):1116-1118.
PDF |
| 8. |
Urso C. Spitz Tumors and Melanoma in the
Genomic Age: A Retrospective Look at Ackerman's Conundrum. Cancers
(Basel) 2023;15(24):5834.
PDF |
| 9. |
Vermariën-Wang J, Doeleman T, van Doorn R,
Mooyaart AL, Blokx WAM, Schrader AMR. Ambiguous melanocytic lesions:
A retrospective cohort study of incidence and outcome of melanocytic
tumor of uncertain malignant potential (MELTUMP) and superficial
atypical melanocytic proliferation of uncertain significance (SAMPUS)
in the Netherlands. J Am Acad Dermatol 2023 Mar;88(3):602-608.
PDF |
| 10. |
de la Fouchardiere A, Blokx W, van Kempen
LC, Luzar B, Piperno-Neumann S, Puig S, Alos L, Calonje E, Massi
D; ESP Dermatopathology Working Group; EORTC Melanoma Group; EURACAN.
ESP, EORTC, and EURACAN Expert Opinion: practical recommendations
for the pathological diagnosis and clinical management of intermediate
melanocytic tumors and rare related melanoma variants. Virchows
Arch 2021;479(1):3-11.
PDF |
| 11. |
Varey AHR, Williams GJ, Lo SN, Taing CY,
Maurichi A, Santinami M, Scolyer RA, Thompson JF. Clinical management
of melanocytic tumours of uncertain malignant potential (MelTUMPs),
including melanocytomas: A systematic review and meta-analysis.
J Eur Acad Dermatol Venereol 2023;37(5):859-870.
PDF |
| 12. |
Sargen MR, Barnhill RL, Elder DE, Swetter
SM, Prieto VG, Ko JS, Bahrami A, Gerami P, Karunamurthy A, Pappo
AS, Schuchter LM, LeBoit PE, Yeh I, Kirkwood JM, Jen M, Dunkel
IJ, Durham MM, Christison-Lagay ER, Austin MT, Aldrink JH,
Mehrhoff C, Hawryluk EB, Chu EY, Busam KJ, Sondak V, Messina J,
Puig S, Colebatch AJ, Coughlin CC, Berrebi KG, Laetsch TW,
Mitchell SG, Seynnaeve B. Evaluation and Surgical Management of
Pediatric Cutaneous Melanoma and Atypical Spitz and Non-Spitz
Melanocytic Tumors (Melanocytomas): A Report From Children's
Oncology Group. J Clin Oncol 2025;43(9):1157-1167.
PDF |
Author(s):dr. Jan R. Mekkes. Dermatologist, Amsterdam UMC.