Een allergie voor rubber dient onderscheiden te worden in een allergie voor
de eiwitten in natuurrubber (latex) en een allergie voor stoffen die aan het
rubber zijn toegevoegd. Bovendien dient onderscheid te worden gemaakt in type
IV- en type I-allergische reakties. Daartoe wordt een
specifieke anamnese afgenomen gevolgd door
een
allergologisch onderzoek.
NatuurrubberDe eerste beschrijving van ruw rubber dateert
uit 1493 toen Columbus op zijn tweede reis indianen in het Caraïbische gebied
zag spelen met rubber ballen. Naast ballen maakten de indianen ook kleding,
schoeisel en hoofdbedekking waterdicht met het sap van de rubberboom Hevea brasiliensis.
De indianen noemden de stof gewonnen uit dit sap ca-hu-chu, een samenvloegsel
van caa (hout) en ochou (vloeien of wenen). In 1770 ontdekte de Britse chemicus
Priestley dat de stof gebruikt kon worden voor het uitwissen van potloodstrepen.
Het woord rubber is dan ook ontleend aan het Engelse to rub (wrijven). Vlak
daarop gebruikte MacIntosh rubber om zijn waterdicht-makende eigenschappen.
Min of meer bij toeval ontdekte Charles Goodyear in 1839 dat ruwe natuurrubber
vermengd met zwavel bij verwarming vormvast en minder kleverig werd terwijl
de elastische eigenschappen verbeterden en de brosheid bij lage temperaturen
afnam. Dit proces (vulcanisatie = curing = to make it durable) veroorzaakt het
cross-linken met zwavelmoleculen van de kronkelige rubbermoleculen. Dunlop vond
vervolgens in 1888 een toepassing van rubber in banden en in 1890 werd door
Goodyear op verzoek van een chirurg het eerste paar rubberen handschoenen gemaakt.
Latex is de benaming voor de suspensie van cis-1,4-poly isopreen polymeerdeeltjes
in een vloeistof. Latices komen in de natuur voor als het melksap van bepaalde
bomen en planten. Latices kunnen ook gemaakt worden van synthetische polymeren.
De bekenste natuurlijke latex komt van de rubberboom, Hervea brasiliensis, maar
ook uit paardenbloemen. Het sap bestaat voor eenderde uit rubber opgebouwd uit
een grote reeks identieke eenheden cis-polyisopreen. Voor de rest bestaat het
sap voor uit 65% water en daarnaast fosfolipiden, koolhydraten, mineralen, prenyltransferase,
rubber elongation factor en voor 1,8% uit lutoïden. Lutoïden zijn kleine vacuolen
waarin heveïne en proheveïne de belangrijkste eiwitten zijn. Deze eiwitten zijn
betrokken zijn bij de synthese van isopreen en zijn verantwoordelijk voor het
van nature snel klonteren van de latex. Deze eiwitten vertonen gelijkenis met
lysozymen die in andere planten gevonden kunnen worden zoals de ficus en de
papaja. Door toevoeging van ammonia kan dit natuurlijke coagulatieproces worden
tegengehouden en blijft het rubber in oplossing. Het ruwe rubber wat zo ontstaat
wordt vervolgens uitgeperst door centifugatie en geconserveerd.
Vervolgens
worden toegevoegd:
- acceleratoren (
mercaptobenzothazole,
thiuram,
dithiocarbamaten en
thioureum)
- antioxidanten om de degraderende
invloed van mn. ozon tegen te gaan:
PPDA-derivaten, BHT en
BHA- vulstoffen
waardoor het rubber goedkoper wordt: krijt, talk, roet, houtstof, marmerslijpsel,
vermalen cashewnoten
- diversen: kleurstoffen, reukstof, fungiciden, vlamvertragers,
roet (m.n. in banden, maakt het rubber slijtvaster).
Door op een later
moment te dehydreren en zuur en metalen toe te voegen klontert het ruwe rubber
alsnog samen. Hierna volgt de vulcanisatie (verhitting onder toevoeging van
zwavel). Als alternatief kan peroxide of straling gebruikt worden voor het vulcanisatieproces.
Bij het vulcanisatieproces vindt cross-linking plaats van het cis-1,4-polyisopreen
via de S-bruggen. Het eindproduct bestaat voor 93-95% uit cis-1,4-polyisopreen
en, afhankelijk van het verwerkingsproces, meer of minder reststoffen. Gemiddeld
zitten in natuurrubber > 200 organische en > 20 anorganische verbindingen.
Onder die reststoffen bevinden zich naast resten van de bovenbeschreven proceschemicaliën
ook latex-eiwitten waarvan sommigen een allergische reaktie kunnen veroorzaken.
Om deze eiwitten te verwijderen worden soms, naast het meermalen centrifugeren
en wassen, processen toegepast als het losweken van de eiwitten door surfactants
gevolgd door een behandeling met eiwitafbrekende enzymen of het toevoegen van
een silica-dispersie. Daarnaast wordt gewerkt aan genetisch gemanipuleerde rubberbomen.
De (per 14 juni 1998 bindende) norm voor het maximale eiwitgehalte is 50 ug/g
rubber.
Synthetisch rubberIn tegenstelling tot
natuurrubber zijn kunstrubbers niet kleverig. De moleculen van natuurrubber
zijn kronkeliger en daardoor elastischer dan de synthetische rubbers van styreen-butadieenrubber
(banden), butylrubber (weinig elastisch maar gasdicht, voor binnenbanden en
trillingsdempers), nitrilrubber (oliebestendig maar niet scheurbestendig, voor
benzineslangen etc.) en polychloropreen of neopreen (goed bestand tegen chemicaliën
en elastisch, gebruikt voor oa. handschoenen en kontaktlijmen). Het verwerkingsproces
van synthetische rubbers is, inclusief het vulcanisatieproces, gelijk, alleen
de eiwitten ontbreken natuurlijk.
Specifieke adviezen bij mensen
met een rubber-allergie:
handschoenen
condoomselastische kous: latex-vervanger
in ondergoed: lyrex,
anafylactische
shockaanvullende opmerkingen
Author(s):dr. M.M.H. Meinardi. Dermatoloog, Maurits
kliniek, Den Haag.